In het Volkskrant Magazine van 7 januari stond een uitgebreid interview met Joop van den Ende. Daarin kreeg hij de gelegenheid zijn mening te verkondigen over o.a. de noodzaak van een onafhankelijke Publieke Omroep, het huidige politieke klimaat en andere hete hangijzers. Zoals te voorspellen was ging men op social media direct los. (“Zakkenvuller!”, “hypocriet!”) Het dedain over het door Van den Ende geproduceerde “volksvermaak” en “plat amusement” droop er vanaf. Uit deze felle reacties blijkt maar weer eens dat de strijd tussen de high & low culture nog steeds als een hardnekkige veenbrand doorsmeult. Dat Van den Ende zich heeft opgewerkt van uitbater van een winkel in feestartikelen in Amsterdam-Noord tot mediamiljardair maakt hem in de ogen van de Hoeders van de Goede Smaak uiteraard extra verdacht.
Hoewel niet exact te definiëren is er in principe natuurlijk niets mis met Goede Smaak. Echter, sommige zelfbenoemde bewakers van high culture vertonen in het afserveren van popular culture licht fundamentalistische trekjes. Nu ga ik hier meteen zelf met de billen bloot, want regelmatig beweer ik in Huize Mulder dat ik “nog liever naar de tandarts ga dan naar een concert van de Toppers”. Hoewel de vette knipoog die bij dit soort oneliners hoort mijn geliefde altijd ontgaat, vind ik deze kritiek zelf reuze mild. Het op typisch Britse manier minachten van bepaalde personen of fenomenen (witty but merciless) is een gave die ik mogelijk nog niet helemaal onder de knie heb. Maar ik doe mijn best.Over high culture gesproken: zelf ben ik een archetypische heteroseksuele witte oude Grachtengordel-boomer. En als zodanig regelmatig te signaleren in het Concertgebouw, de Nationale Opera, musea en op diverse vernissages. De vinkjes vliegen je om de oren. Maar het begrip “elitair” heeft onterecht een dubieuze connotatie gekregen doordat sommige vertegenwoordigers van deze club zonder enige spoor van humor of ironie hun verhaaltjes afratelen. Op YouTube staat de sketch “De Party Robot” uit het programma Hadimassa. Het fragment is uit 1972 maar nog steeds relevant. De party robot (fantastische rol van Ton van Duinhoven) wordt losgelaten op een gezelschap met Goede Smaak. De gastheer zegt samenzweerderig in de camera: “Het wordt steeds moeilijker om een modieuze, dure party te geven. Want modieuze, dure mensen zijn het saaiste tuig wat er bestaat. Mijn party robot is geprogrammeerd met de laatste jaargangen Elseviers Weekblad, Haagse Post, Avenue en nog veel meer.” Als de robot een prachtige maar zeer mechanisch converserende dame ontmoet (mooie rol van Annemarie Oster) en in haar zijn gelijke denkt te zien slaat-ie (krak-krikkrak!), volledig op hol.
Inmiddels haal ik mijn neus niet meer op voor voorstellingen die de Hoeders van de Goede Smaak een affront zouden vinden. Zo waren we laatst bij het toneelstuk Dial M for Murder in het DeLaMar. Je weet wel, dat theatercomplex waarin zakkenvuller Van den Ende miljoenen eigen geld heeft gestoken. Erik de Vogel en Caroline de Bruijn (inderdaad, bekend van Goede Tijden Slechte Tijden) en onze goede vriend Harpert Michielsen speelden het stuk dat de meesten kennen als Hitchcock-film. Nee, het was zeker geen Ibsen, Tsjechov of Pinter. Maar ik heb mij prima vermaakt en had al voor het begon een hoogtepuntje te pakken. Papieren programmaboekjes zijn niet duurzaam dus werden we geacht een QR-code te downloaden. (Met onze duurzame smartphones die voortdurend verbinding zoeken met hele milieuvriendelijke datacenters.) Met dat scannen had een grijze dame een paar rijen voor ons héél veel moeite. Vanuit allerlei hoeken in de zaal kreeg ze adviezen toegeroepen maar het lukte haar niet tijdig het programma binnen te halen.
Zij liet zich dus maar, net als ik, verrassen door het spel. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik bij het genre “murder mystery” al snel afdwaal. Je moet voortdurend alert zijn op verborgen aanwijzingen (“De jas!” stootte mijn geliefde mij fluisterend aan, “de jas is verwisseld!”) Niet zelden denk ik na een half uurtje: “Ken mij het rotte wie dat takkewijf heeft omgelegd!”
Ik ga hier met mijn bekentenissen nog een keer diep door het stof en met de billen bloot (het lijkt wel zo’n sneue doorlopende seksshow op de Wallen). Vroeger was ook ik zeer uitgesproken in het belachelijk maken van “plat amusement”. En in die categorie viel, ergens begin jaren negentig van de vorige eeuw, een voorstelling van het befaamde Theater van de Lach van John Lanting. Een collega had van een bevriende producent een stuk of zes kaarten gekregen. Wij, een gezelschap uitgenaste Amsterdammers die allemaal last hadden van Goede Smaak, togen naar een schouwburg ergens diep in de provincie. (Alles buiten de Ring is uiteraard provincie). We hadden prima plaatsen, middenvoor. Gedurende de hele voorstelling vormden we een onverzettelijk blok Hoofdstedelijke Arrogantie waarvoor ik mij met terugwerkende kracht nog steeds lichtelijk schaam. Als de zaal het uitproestte van het lachen keken wij elkaar demonstratief vragend aan. En omgekeerd, wanneer iemand op het toneel luid en duidelijk een willekeurige zin uitsprak in die typisch Nederlandse toneeldictie (“Ik begrijp niet waar zij is! Ik denk dat ik haar maar ga bellen!”) gierden wij het uit. Het fascinerende is dat toen ik vele jaren later het toneelstuk Wuivend Graan zag van Wim T. Schippers zag, er iets merkwaardigs plaatsvond.
De ongeschreven afspraak in onze peer group was nu dat we álles wat we hoorden en zagen hilarisch vonden. Nu ben ik een onvoorwaardelijke bewonderaar van Schippers maar ik betwijfel of het echt allemaal zo geestig was. De ballotage van de Goede Smaak Club is een merkwaardig proces. Op geheimzinnige wijze heeft bijvoorbeeld André van Duin, na decennialang verguisd te zijn als de ultieme vertegenwoordiger van de TROS-cultuur, goedkeuring gekregen van de Club en is hij plots salonfähig geworden. Maar zijn godfather Joop van den Ende komt blijkbaar nog steeds niet in aanmerking voor het felbegeerde lidmaatschap. Dit ondanks het feit dat hij in het Volkskrant-artikel meldt dat “het toch fantastisch is dat we in deze tijd van vertrutting een premier krijgen die openlijk gay is” en verklaarde geen Wilders-fan te zijn. Maar uiteraard zit in de ogen van Van den Ende-haters hierachter een commerciële agenda verborgen. Joop (ik mag hem bij de voornaam noemen, iedereen trouwens) kan bij mij nooit meer stuk. Toen hij begin jaren tachtig een enorme kale veilinghal in Aalsmeer had gekocht en deze liet ombouwen tot tv-studio gaf hij meteen de afdeling decor opdracht een gezellige bruine Amsterdamse kroeg na te bouwen. Daar konden wij als crew na afloop van de opnames onbeperkt drinken en bitterballen eten. (Dat was bij die andere mediatycoon iets zuuniger: daar kregen we twee van die lullige blauwe garderobe-bonnetjes die je bij een loket kon inwisselen voor een consumptie.)
Resumerend: ik heb mijn geliefde plechtig beloofd nooit meer denigrerend te spreken over André Rieu, René Froger, Yves Berendse, The Masked Singer, het verzamelde werk van Saskia Noort en andere uitingen van popular culture. Dit gezegd hebbende ga ik nu weer verder lezen in The Prophecy of Dante van Lord Byron in een prachtige bibliofiele uitgave die ik vond bij Shakespeare and Company. Je weet wel (krak-krikkrak!), dat geinige winkeltje in rue de la Bûcherie…
©2026 Martin Mulder
Met dank aan Emilia van Heuven






Comments
Post a Comment