Hoewel ik van huis uit streng atheïstisch ben opgevoed hebben mijn ouders mij wel degelijk een aantal universele normen en waarden meegegeven. “Gij zult niet stelen” werd vrij vertaald met: ‘Je blijft met je fikken van andermans spullen af!’ Mijn broertje en ik moesten onze ouders met “u” aanspreken en als ik op het trapportaal vergeten was de buurvrouw te groeten kreeg ik van mijn moeder een opvoedkundige draai om de oren. (Gelukkig deed zij en niet mijn vader dit gedeelte van de opvoeding want hij had een goede rechtse in huis.) Dit klinkt allemaal misschien wat rigide maar ik haast mij te zeggen dat ik geen traumatische jeugd heb gehad met worstelingen over geloof, autoriteit, afkomst of seks. Je weet wel, de thema’s waar zo’n beetje de helft van de Nederlandse schrijvers in grossiert en die in kloeke delen worden uitgemolken. Op onderstaande jeugdfoto zie ik eruit als een schijnheilig koorknaapje (knielend op een bed violen in de schooltuin) maar inderdaad, schijn bedriegt. Geboren...
Maandagochtend 23 februari kreeg ik een telefoontje van mijn goede vriend M. ‘Mulder!’ riep hij opgewonden, ‘je kan weer uit je mancave tevoorschijn komen, de Olympische Winterspelen zijn voorbij!’ Het is in mijn vriendenkring bekend dat ik niet echt een sportliefhebber ben. Mijn geliefde gebruikt zelfs de term “sporthater” maar dat gaat wellicht iets te ver. Ik vind mijzelf best sportief. Op mijn trouwe toerfiets leg ik regelmatig epische afstanden af. Overigens alleen bij mooi weer en met gunstige wind. Nee, mijn psychische aandoening (ik zeg het maar zoals het is) betreft het kijken naar sport. Iets wat miljoenen mensen doen. Hetzij voor de televisie, hetzij in overvolle stadions. Brood en spelen, zo oud als de weg van Marathon naar Athene. Omdat ik toch al in therapie was voor wat andere issues (zoals bepoteld worden in weeshuizen, het onverwerkte trauma van de diefstal van mijn favoriete Dinky Toy door Evert G., de bully van de lagere school, alsmede de vernederende afwijzing ...