Maandagochtend 23 februari kreeg ik een telefoontje van mijn goede vriend M. ‘Mulder!’ riep hij opgewonden, ‘je kan weer uit je mancave tevoorschijn komen, de Olympische Winterspelen zijn voorbij!’ Het is in mijn vriendenkring bekend dat ik niet echt een sportliefhebber ben. Mijn geliefde gebruikt zelfs de term “sporthater” maar dat gaat wellicht iets te ver. Ik vind mijzelf best sportief. Op mijn trouwe toerfiets leg ik regelmatig epische afstanden af. Overigens alleen bij mooi weer en met gunstige wind. Nee, mijn psychische aandoening (ik zeg het maar zoals het is) betreft het kijken naar sport. Iets wat miljoenen mensen doen. Hetzij voor de televisie, hetzij in overvolle stadions. Brood en spelen, zo oud als de weg van Marathon naar Athene. Omdat ik toch al in therapie was voor wat andere issues (zoals bepoteld worden in weeshuizen, het onverwerkte trauma van de diefstal van mijn favoriete Dinky Toy door Evert G., de bully van de lagere school, alsmede de vernederende afwijzing ...
In 1991 reed ik met mijn vriend Stephan Berkhemer, beeldend kunstenaar uit Finsterwolde, in een gehuurde Ford Mustang door het imposante landschap van Californië. Ik was al vaker in de VS geweest en fungeerde nu als gids. Met in mijn achterhoofd passages uit On The Road van Jack Kerouac, het ultieme handboek van een rusteloze generatie (“ Nothing behind me, everything ahead of me. ”) en op de radio mijn favoriete station KROQ 106.7 FM, zoefden wij richting horizon. De rol van gids speelde ik met verve want ik was toen nog een onvoorwaardelijke fan van alles wat met Amerika te maken had. Uit deze inleiding (en titel) kan je de conclusie trekken dat dit een afscheid is. Ik zal trachten zonder al te veel pathos en vals sentiment mijn Chevy to the levy te rijden en daar wat te mijmeren over mijn oude liefde. Eind jaren zeventig was ik voor het eerst in de VS met mijn toenmalige verkering, danseres Zillah Emanuels. We vielen met onze neus in de boter. De dag na aankomst waren we in Brookl...