Maandagochtend 23 februari kreeg ik een telefoontje van mijn goede vriend M.
‘Mulder!’ riep hij opgewonden, ‘je kan weer uit je mancave tevoorschijn komen, de Olympische Winterspelen zijn voorbij!’
Het is in mijn vriendenkring bekend dat ik niet echt een sportliefhebber ben. Mijn geliefde gebruikt zelfs de term “sporthater” maar dat gaat wellicht iets te ver. Ik vind mijzelf best sportief. Op mijn trouwe toerfiets leg ik regelmatig epische afstanden af. Overigens alleen bij mooi weer en met gunstige wind. Nee, mijn psychische aandoening (ik zeg het maar zoals het is) betreft het kijken naar sport. Iets wat miljoenen mensen doen. Hetzij voor de televisie, hetzij in overvolle stadions. Brood en spelen, zo oud als de weg van Marathon naar Athene.
Omdat ik toch al in therapie was voor wat andere issues (zoals bepoteld worden in weeshuizen, het onverwerkte trauma van de diefstal van mijn favoriete Dinky Toy door Evert G., de bully van de lagere school, alsmede de vernederende afwijzing door Yvonne de B., de sloerie van de brugklas etc. etc.) informeerde ik tijdens een sessie naar een mogelijke verklaring voor mijn totale desinteresse in sport. Er volgde een analyse over the survival of the fittest die genetisch nog steeds in ons allemaal sluimert. Volgens mijn therapeut was een oeroud gen mogelijk beschadigd waardoor het mij ontbreekt aan een gezonde dosis competitie. Een genetic disorder in medische termen. Zo’n vermoeden had ik al. Het was nu volgens haar slechts een kwestie van het wegwuiven van deze in principe onschadelijke afwijking. Tja, dacht ik, zo kan ik ook wel een bordje “M Mulder, psychiater” op mijn deur schroeven.
Maar ik hield wijselijk mijn mond, want had volgens mijn zorgverzekering nog recht op drie sessies. Vroeger, bij het spelen van Monopoly, kon het mij inderdaad al geen moer schelen of ik bankroet dreigde te raken of wanneer ik als een meedogenloze vastgoedmagnaat het hele bord in handen had gekregen. Mijn vriendjes en vriendinnetjes barstten bij verlies regelmatig in tranen uit en soms vlogen de pionnetjes mij om de oren. Inmiddels heb ik geleerd dat je nooit moet zeggen: ‘Lekker belangrijk, het is maar een spelletje!’ Je haalt je daarmee de woede op de hals van hen die dit soort wedstrijdjes uiterst serieus nemen. En dat zijn er best veel. Bij vorige edities van de Winterspelen had ik al flink de wind van voren gehad. Ik riep dan bijvoorbeeld, wanneer een Landgenoot (want de Spelen zijn een schaamteloze orgie van nationalisme) in de laatste bocht voor de finish ten val kwam: ‘Ik heb het nog zó geroepen, het is spekglad in die bochten!’ Ik geef onmiddellijk toe, dit zijn tenenkrommende grappen waarbij Peter Pannekoek nog verbleekt. Maar zoals mijn andere therapeut en goeroe H. altijd zegt: ‘Het is sterker dan mijzelf.’ Zo kan ik op veel onbegrip rekenen als ik vertel dat woorden als “plak” en ”medaillespiegel” bij mij het effect hebben van een nagel over een schoolbord. Ondanks mijn vrijwillige opsluiting de afgelopen twee weken werd ik toch, bij het checken van het wereldnieuws, geconfronteerd met een aantal Olympische fragmenten. Daarbij viel het mij op dat er ook door volwassen mannen en vrouwen bij verlies nog steeds een flink potje wordt gejankt. Of gevloekt. Joep Wennemars zei, live op de Publieke Omroep onder andere: ‘Ik ben in een kutfilm beland,’ ‘…het is de moeilijkste week van mijn leven,’ ‘dan rij ik godverdomme heel goed en dan gaan ze eronderdoor.’ Ik begreep dat hij met “ze” die verdomde schaatsers bedoelde die het hadden aangedurfd nét iets harder te rijden dan Joep zelf. Toen ik mijn geliefde dit fragment liet zien en heel voorzichtig vroeg of dit ordinaire gescheld in het kader van de verheven Olympische gedachte normaal is en of deze sporters geen mediatraining hebben gehad werd ik weer (‘Je begrijpt hier helemaal niets van Mulder!’) verbannen naar mijn schuilkelder alwaar ik mij maar weer afsloot voor de boze buitenwereld.
Vorige week hadden onze goede vrienden R. en E. ons uitgenodigd voor een etentje in een nieuw restaurant. We meldden ons eerst voor drinks in hun fijne appartement. Juist rond dat tijdstip bleek er een “heel belangrijke” rit plaats te vinden. Ik meen de 1000 meter. Omdat mijn vrienden op de hoogte zijn van mijn afwijking werd er voorzichtig geïnformeerd of het een bezwaar was dat ze hier eerst even naar keken. Niet gehinderd door enige kennis van zaken antwoordde ik: ‘No problemo, een kilometertje klunen kan toch niet langer duren dan zo’n, eh, tien minuten?’
Ik werd door mijn gastheer als een licht dementerende bejaarde met mijn rug naar het scherm gepositioneerd. Met een heerlijk openingsbiertje in mijn hand had ik nu uitzicht op mijn geliefde en onze vrienden die een blijkbaar bloedstollende race aanschouwden. Als een soort David Attenborough observeerde ik hun gedrag en body language.
R. identificeerde zich na het startschot zodanig met Wennemars dat hij diep voorovergebogen (luchtweerstand?) de rit bekeek. E. keek zeer geconcentreerd toe, ogenschijnlijk haar emoties de baas. Mijn geliefde echter is een schoolvoorbeeld van kop-in-het-zand. Ik had dit al eerder waargenomen bij een of andere voetbalfinale. Bij het nemen van strafschoppen vluchtte ze naar de keuken onder het mom van “Even een tosti maken!”, of zoiets. Toen tijdens de baanwissel bij deze rit onze held gesneden werd door zijn tegenstander waren de rapen gaar. Een hoop gescheld naar het beeldscherm. Ik keek gefascineerd toe. Hoe gaan ze hier in de salon deze teleurstelling verwerken? Vliegen straks de kussentjes richting flatscreen? Met moeite kon ik wat foute grappen bedwingen ("Komt een boze Hollandse Kaaskop bij de Chinees...") maar ik hield wijselijk mijn mond, mijn therapeut kan trots op mij zijn. De sfeer tijdens het etentje daarna was prima. Thuis sloot ik mij weer op in mijn mancave en belde ’s ochtends vroeg mijn lijfarts. Hij hoorde mij aan en was bereid mee te werken aan een onderzoek. Ik fietste bij hem langs. (In een héle scherpe tijd, overigens.) Hij nam wat wangslijm af dat meteen naar het lab werd gestuurd. Binnen drie dagen stuurde hij mij een foto van mijn DNA. Ik stel het op prijs als jullie discreet met deze medische informatie omgaan.
Op de foto is duidelijk de beschadiging te zien die de oorzaak is van mijn onvermogen te juichen als iemand het wereldrecord op de 1000 meter met 0,04 seconden heeft verbeterd. Het defect is inderdaad niet levensbedreigend. Zolang ik voortaan maar mijn waffel houd….
© 2026 Martin Mulder
Met dank aan Emilia van Heuven






Comments
Post a Comment