We zitten inmiddels alweer ruim een week in het nieuwe jaar en kunnen dus wat objectiever terugblikken op een nogal roerige oud en nieuw-viering. Daarbij moet ik denken aan de meesterlijke film Groundhog Day. Een film uit 1993 van regisseur Harold Ramis, waarin een weerman van een lokaal tv-station (geweldige rol van Bill Murray) op een bepaalde feestdag wakker wordt in zijn hotel en vervolgens diezelfde dag steeds opnieuw moet beleven en verslaan. Een soort nachtmerrie light.
Als je een willekeurig krantenbericht over een oud en nieuw-viering van pakweg vijf of tien jaar geleden terugkoekelt lijkt het wel of de recente berichten over dit oergezellige volksfeest volgens de copy-paste methode zijn opgemaakt. Want geweld tegen hulpverleners, brandstichting en rokende puinhopen tijdens oudejaarsnacht zijn helaas geen recent verschijnsel. De verontwaardigde reacties op dit soort ontsporingen zijn vervolgens óók weer letterlijk over te nemen uit vorige edities. Ze zijn vergelijkbaar met de reflexen op vernielingen aangericht door voetbalhooligans want “het is altijd een kleine groep die het voor de rest verpest”. ( Als die groep echt zo klein is als voortdurend wordt beweerd moet het toch een makkie zijn deze te neutraliseren, maar enfin.) De krampachtige angst bij gezagsdragers en politiek om de “gewone burger iets af te pakken” lijkt steeds groter te worden. Dit “iets” is bijvoorbeeld het bestoken van historische, dichtbevolkte binnensteden met vuurpijlen. Al sinds de Middeleeuwen een effectieve manier om vijandige bastions in de hens te zetten. Op oudejaarsnacht 2008 belandde een vuurpijl op het dak van een schitterend pand op de Herengracht en de daaropvolgende brand verwoestte het zeventiende-eeuwse momument volledig.
Ook toen werden er krokodillentranen geplengd maar uiteindelijk werd dit toch schouderophalend beschouwd als collateral damage, bijkomende schade. Ondanks alle stoere praat van de autoriteiten (“Dit was écht de laatste keer” en “We gaan nu streng handhaven”) was het helaas weer letterlijk raak tijdens de laatste editie van oud en nieuw. Cartoonist Ruben L. Oppenheimer heeft dit in NRC mooi vormgegeven in een parodie op een NL-Alert bericht:
Op die bewuste nacht gingen mijn geliefde en ik na een genoeglijk samenzijn bij vrienden relatief vroeg naar huis. We zijn tenslotte niet meer de jongsten en hadden, heel prudent, een fietsroute bedacht die niet direct in de vuurlinie zou liggen. In het kleine straatje van onze gastheren werd er echter tijdens ons vertrek door een paar dronken jonge mannen een soort stalinorgel in stelling gebracht en ontstoken. Een barrage van vuurpijlen vloog links en rechts rakelings over de daken van de oude huisjes. “Als dat maar goed gaat,” dacht ik.
Wonderwel kwamen we ongeschonden thuis. Omdat ik er die week al drie kerstdiners op had zitten (waarbij ik mij voorbeeldig had gedragen en niet à la Festen was doorgeslagen, mijn therapeut kan trots op mij zijn), kroop ik al om kwart over één heerlijk onder mijn dekbedje. Om half tien de volgende ochtend werd ik wreed uit mijn slaap gehaald door mijn geliefde met de onthutsende mededeling dat de Vondelkerk was afgebrand.
Ik pakte onmiddellijk mijn telefoon en belde mijn goede vriend Han de Vries die pal naast die kerk woont. Er werd niet opgenomen. Nu is dat niet uitzonderlijk. De Vries valt in de categorie Tachtigers die nogal slordig met nieuwlichterij als mobiele telefoons omgaan. (In een vorige column schreef ik al over het incident met zijn iPhone in de wasmachine.) Na nog een paar vergeefse belpogingen kleedde ik mij snel aan en sprong op mijn fiets. De hele directe omgeving van de Vondelstraat was afgezet. Maar, zoals ik regelmatig vol bravoure roep: “Knappe jongen die mij tegenhoudt!” Ik moest wel twee keer uitvoerig aan mannen met oranje hesjes uitleggen dat ik bevriend ben met de beroemde musicus De Vries. En dat ik mij zorgen maakte. Met foto’s op mijn telefoon kon ik overtuigend aantonen dat ik geen ramptoerist was. Han’s monumentale huis (net als het Rijksmuseum, het Centraal Station en de Vondelkerk gebouwd door Pierre Cuypers) zag er gelukkig onbeschadigd uit. Eenmaal staand bij zijn voordeur zag ik voor het eerst links de troosteloze aanblik van de zwaar gehavende Vondelkerk en rook ik die typische brandlucht die altijd rond zo’n onheilsplek hangt.
Ik drukte op de bel. Waar je normaal een indringend geluid hoort was er nu stilte. Een buurman aan de overkant zag mij en riep: “Er is geen stroom meer in de hele straat!” Hij kon mij niet vertellen waar Han was. Na een paar keer tevergeefs roepen belde ik naar de geliefde van Han die aan de andere kant van het Vondelpark woont. Tot mijn opluchting bleek hij daar aan de koffie te zitten. Ik kreeg hem aan de lijn. Op enigszins slaperige toon vertelde hij dat alles met hem in orde was. En of ik in de loop van de middag langs wilde komen om het hele verhaal te horen. Om half vier ‘s middags lulde ik mij opnieuw door twee roadblocks heen. In mijn rugzakje, voor de schrik en de troost, een mooi flesje koude pinot grigio. In mijn ooghoek zag ik nog veel brandweerwagens en ander hulpmaterieel. Men was begonnen met het opruimen van de ravage. De bel deed het nog steeds niet maar Han nam nu zowaar de telefoon op en liet mij binnen. Na een innige omhelzing namen wij plaats in de salon waar als vanouds de open haard knetterde. Bij kaarslicht (“Ik heb als afvallige Jood puur voor de gezelligheid mijn vijf-armige kandelaar aangestoken.”) proostten we op het nieuwe jaar en de goede afloop. Ik liet hem vertellen.
Het was weer een vintage De Vries-verhaal vol humor, stoïcisme, weerbarstigheid en een snufje overdrijving.
Omdat hij geen zin had in al dat vuurwerklawaai had hij op oudejaarsavond om half elf een extra “Dormicummetje” ingenomen, oordopjes ingedaan en was in een diepe slaap geraakt. Van het pandemonium, amper een paar uur later en twintig meter verderop, met sirenes, ladderwagens, zwaar materieel etc. had-ie niets gemerkt. Toen hij ‘s ochtends om half zeven ietwat groggy wakker werd bespeurde hij een “hoop gedoe in de straat”. Door het zijraam aan de kant van de kerk zag hij nu pas de ware omvang van de tragedie die zich die nacht had voltrokken. De muren aan de westkant van de kerk stonden nog overeind maar de karakteristieke, spitse toren was volledig verdwenen. Er werd nog met man en macht gewerkt om de smeulende resten te doven. Na de laconieke conclusie: “Ik kan hier verder toch niets meer aan doen”, en de constatering dat de elektriciteit en dus ook de verwarming was uitgevallen had hij zijn bed weer opgezocht. Op mijn opmerking dat zijn zelfmedicatie niet geheel zonder risico is antwoordde hij:
“Tja, Dormicum is in feite een soort Pil van Drion voor beginners. Maar afgezien van bijwerkingen als afgebrande kerken en stroomstoringen is die dubbele dosis mij eigenlijk best goed bevallen…”
Ik probeerde nog even door al deze branie heen te prikken maar De Vries is op zijn best met een gewillig publiek. Een rol die ik altijd met verve speel. Hij kwam nu goed op stoom:
“Ik heb vanochtend vroeg nog wel even overwogen om het raam wagenwijd open te zetten en op mijn Bechstein vleugel wat mooie muziek te spelen voor al die brandweermannetjes. Bijvoorbeeld
Vuur Elise.”
Korte pauze, gevolgd door een verontschuldigende grijns.
“Sorry lieve Martin, deze grap is natuurlijk, eh, beneden alle vuurpijl.”
Een uurtje later fietste ik vrolijk en opgelucht weer naar huis. Hoewel, opgelucht… in mijn kleren hing een penetrante brandlucht. Een mix van open haardvuur en de wierook van een gezellig volksfeest.
© 2026 Martin Mulder
Met dank aan Emilia van Heuven







Comments
Post a Comment