Hoewel ik van huis uit streng atheïstisch ben opgevoed hebben mijn ouders mij wel degelijk een aantal universele normen en waarden meegegeven. “Gij zult niet stelen” werd vrij vertaald met: ‘Je blijft met je fikken van andermans spullen af!’ Mijn broertje en ik moesten onze ouders met “u” aanspreken en als ik op het trapportaal vergeten was de buurvrouw te groeten kreeg ik van mijn moeder een opvoedkundige draai om de oren. (Gelukkig deed zij en niet mijn vader dit gedeelte van de opvoeding want hij had een goede rechtse in huis.)
Dit klinkt allemaal misschien wat rigide maar ik haast mij te zeggen dat ik geen traumatische jeugd heb gehad met worstelingen over geloof, autoriteit, afkomst of seks. Je weet wel, de thema’s waar zo’n beetje de helft van de Nederlandse schrijvers in grossiert en die in kloeke delen worden uitgemolken. Op onderstaande jeugdfoto zie ik eruit als een schijnheilig koorknaapje (knielend op een bed violen in de schooltuin) maar inderdaad, schijn bedriegt.
Geboren in de volkse Kinkerbuurt en opgegroeid in de kersvers gebouwde tuinstad Slotermeer heb ik (ondanks die oorvijgen) toch wel het een en ander op mijn kerfstok. En dan heb ik het niet over dingen waarop het ietwat oubollige begrip “kattenkwaad” van toepassing is zoals belletje-trek of het insmeren met hondenpoep van een zogenaamd verloren portemonnee. Het ingooien van de ramen van nota bene mijn eigen voormalige kleuterschool is toch van een andere orde.
Plaats delict: kleuterschool De Meerkoet
Inzake dit vandalisme kan ik mij niet verschuilen achter een wraakzuchtige afrekening uit de categorie “Maar Edelachtbare, ik werd als klein jochie altijd onveilig bejegend door mijn kleuterjuf!”. Hoogstens zijn er een paar verzachtende omstandigheden van toepassing. Bijvoorbeeld dat ik mij bij deze laffe aanslag liet meeslepen door Gerrie H., de archetypische leader of the pack van onze buurt. Het type dubieuze aanvoerder met een licht criminele inslag waar het slecht mee is afgelopen. (Althans, ik meende hem vele jaren later te herkennen op zo’n foto-met-balkje in de misdaadrubriek van De Telegraaf.) Iedereen in Slotermeer had ontzag voor Gerrie. Hij haalde mij een keer thuis op met de nonchalante mededeling dat-ie “een geeltje uit de jaszak van z’n vader had gejat”. Wat volgde was een memorabele strooptocht langs snoepwinkels, banketbakkers en andere kleine middenstanders waarbij Gerrie, ondanks het feit dat vijfentwintig gulden in die tijd een enorm bedrag was, ook nog en passant een paar rollen drop jatte toen de drogist even niet oplette om iets af te wegen. Het werd een bijna hallucinerende queeste waarvan ik uiteindelijk misselijk van een overdosis zoetigheid en schuldgevoel terugkeerde. Nu ik hier toch ongemakkelijk op de biechtstoel heen en weer zit te schuiven nog zo’n incident: het was halverwege de jaren zeventig en ik was dus al lang de leeftijd van de Pietje Bell-kwajongensstreken ontstegen. Zou je denken. Bij Paradiso had ik de status van “vrijwillig medewerker”. In ruil voor gratis toegang bij alle concerten deed ik daar tal van dingen: plaatjes draaien, het organiseren van allerlei performances en het uitgeven van Het Paradisoblad.
Laatste correcties bij Het Paradisoblad
Ook het uit- en inladen van de enorme trucks met apparatuur van bands van wereldfaam behoorde tot mijn takenpakket. Dit gebeurde op de parkeerplaats naast de poptempel waar je toen nog gewoon je auto kon neerzetten. Het was mij opgevallen dat er al twee weken een rode Golf nogal hinderlijk in de weg stond. Toen ’s avonds laat, na het legendarische eerste concert van The Ramones, de truck was ingeladen en vertrokken was het geduld van mij en mijn collega Joop H. op. We besloten het Golfje open te breken (dat ging toen nog verrassend simpel middels de klassieke ijzeren kleerhangermethode), de handrem los te trekken en de auto vanaf het talud de Singelgracht in te duwen. Tot onze verbazing bleef de auto drijven en dobberde, mooi verlicht door een volle maan, richting American Hotel. We hebben de dag daarna nog de kranten tevergeefs gecheckt op koppen als
RONDVAARTBOOT RAMT AUTO of, nóg mooier:
SPOOKGOLF GESIGNALEERD OP SINGELGRACHT
Fast forward naar nu. Ik sta, ruim vijftig jaar na dit voorval, nog steeds regelmatig in Paradiso met m’n kop in de herrie. (Zoals laatst bij Hang Youth, een geweldig concert waarbij ik grappig genoeg met afstand de oudste was.)
Ik ben nog steeds geen koorknaap maar met het klimmen der jaren is vandalisme voorgoed uit mijn systeem verdwenen. Ruiten ingooien en auto’s in de gracht kiepen na een concert staan niet meer op mijn repertoire. Het woord “gezagsgetrouw” blijft voor onze generatie een nare bijsmaak houden, maar ik ben wel degelijk wat braver geworden en schaam mij daar niet voor. Die braafheid was laatst mikpunt van milde spot toen ik met het nodige aplomb tijdens een borrel meedeelde dat ik nooit “door rood fiets”. Mijn goede vriendin X vond dit nogal streng in de leer. (Uit discretie laat ik haar initialen onvermeld want ze bekleedde tot voor kort een hoge publieke functie.) Zij hield inzake deze kwestie een pleidooi voor “het gezond verstand” en beweerde “zelf wel te kunnen beoordelen of de kust veilig is”. Gezond verstand is bij mijn vriendin zeker aanwezig maar wordt door haar en veel Amsterdamse fietsertjes op raadselachtige wijze volledig uitgeschakeld zodra men op het zadel zit. Er treedt dan een survival of the fittest-houding in werking die niet zelden gepaard gaat met minachting voor diegenen die zo suf zijn zich wél aan de regels te houden. Dit is immers Amsterdam. (Voor de filmliefhebber: “Forget it Jake. It’s Chinatown.”) Ik nodig vrienden wel eens rond het spitsuur uit op het fijne terras van café Heuvel, hoek Prinsengracht en Spiegelgracht. Een kruispunt zonder stoplichten waar dus (in principe) de geldende verkeersregels van kracht zijn. Maar ook hier gelden de Wetten van de Jungle en de Grootste Bek. Het is een schouwspel met een hoog Napolitaans gehalte en gaat vaak gepaard met een hoop gescheld, bloedstollende narrow escapes en soms de nodige blikschade.
"Als ik sneuvel, dan bij Heuvel"
Terug naar die borrel waar ik dus in de verdediging moest aangaande mijn vermeende braafheid.
‘Maar lieve X,’ betoogde ik, ‘het negeren van basale verkeersregels volgens de redenering “ik maak zelf wel uit of het kan” wordt óók gehanteerd door proleten en andere laagschedeligen die hun dikke SUV’s midden op de stoep zetten. Of door opgefokte puistenkoppen die met brullende uitlaat met 80 km/u door de stad scheuren. Dit gedrag wordt dan wél weer luidruchtig afgekeurd door de rekkelijken. Door hen dus die vinden dat stoplichten slechts een adviserende functie hebben.’
En om te laten weten dat ik mijn klassiekers ken voegde ik er nogal wijsneuzerig aan toe:
‘Deze selectieve verontwaardiging is een soort variatie op Animal Farm van George Orwell: “Alle weggebruikers zijn gelijk maar sommigen zijn gelijker/ongelijker dan anderen.” Doorhalen wat niet verlangd wordt.’
Mijn vriendin bleef mij enigszins meewarig aankijken en zei toen:
‘Ik weet een mooie bijnaam voor je: “De Handhaver”.’
Ik liet dit even bezinken, besloot het op te vatten als een geuzennaam en proostte in gedachten op mijn Moedertje. Ze zou trots op mij geweest zijn…
© 2026 Martin Mulder
Met dank aan Emilia van Heuven





Comments
Post a Comment